fidus
/ˈfiː.dus/
bijvoeglijk naamwoord
Origin
Proto-Indo-Europees
*bʰeydʰ- — vertrouwen, overtuigen
Overview
Meaning Now
- trouw, loyaal, betrouwbaar
- geloofwaardig
Literal older meaning
trouw, in het bijzonder in een verhouding van vertrouwen of verbond
Language path
Proto-Indo-Europees → Latijn
Earliest form
fidus
Earliest period
Klassiek Latijn
Journey
Het woord 'fidus' is nauw verbonden met het Latijnse concept 'fides', wat niet alleen staat voor individuele trouw, maar ook voor sociale en religieuze betrouwbaarheid die het fundament vormde van de Romeinse samenleving en rechtsorde.
Evolution
- Proto-Indo-Europees
*bʰeydʰ-o-
“vertrouwend, trouw”
- Oud-Latijn
fidus
“trouw, betrouwbaar”
Connections
Word parts
fid-
root
vertrouwen
-us
ending
adjectivische uitgang
Related across languages
Oudgrieks
peithō
overtuigen, gehoorzamen
Explore next
Related to fidus
External references use DefinedTerm semantics.