pastime
/ˈpɑːstaɪm/
zelfstandig naamwoord
Origin
Oudfrans
passer le temps — de tijd doorbrengen
Overview
Meaning Now
- Een aangename bezigheid of tijdverdrijf voor ontspanning.
Literal older meaning
tijdverdrijf (letterlijk: 'pass time')
Language path
Oudfrans → Middelengels → Modern Engels
Earliest form
passe-temps
Earliest period
14e eeuw
Journey
Het woord is een letterlijke vertaling van de Franse constructie 'passe-temps'. In de 14e eeuw werd het in het Engels geïntroduceerd als een manier om recreatieve activiteiten te beschrijven die men ondernam om de tijd te doden of veraangenamen.
Evolution
- Oudfrans (ca. 13e eeuw)
passe-temps
“het doorbrengen van tijd”
- Middelengels (14e eeuw)
passetyme
“tijdverdrijf”
Ontleend aan het Frans
- Vroegmodern Engels (16e eeuw)
pastime
“ontspannende activiteit”
Verkorting en assimilatie van de spelling
Connections
Word parts
pass
root
voorbijgaan
time
root
tijd
Related across languages
Frans
passe-temps
tijdverdrijf
Spaans
pasatiempo
tijdverdrijf
Explore next
Related to pastime
External references use DefinedTerm semantics.