herfst
/ɦɛrfst/
zelfstandig naamwoord
Origin
Proto-Germaans
*harbistaz — oogsttijd
Overview
Meaning Now
- Het seizoen tussen de zomer en de winter, gekenmerkt door het afvallen van bladeren en lagere temperaturen.
- Het tijdperk van verval of de laatste levensfase van iemand.
Literal older meaning
oogsttijd
Language path
Proto-Germaans → Middelnederlands → Nederlands
Earliest form
herfst
Earliest period
12e eeuw
Journey
De term is etymologisch nauw verwant aan het Engelse 'harvest'. Oorspronkelijk verwees het enkel naar de oogsttijd, maar na verloop van tijd verschoof de betekenis naar het gehele seizoen. In het Nederlands bleef 'oogst' als apart woord bestaan voor de actie van het binnenhalen van gewassen.
Evolution
- Proto-Germaans
*harbistaz
“oogst”
Afgeleid van een woord voor plukken of oogsten.
- Oudnederlands
herbist
“oogsttijd”
- Middelnederlands
herfst
“herfst, oogst”
Connections
Word parts
herfst
root
oogstseizoen
Related across languages
Engels
harvest
oogst
Duits
Herbst
herfst
Explore next
Related to herfst
External references use DefinedTerm semantics.