herfsttij
/ˈɦɛrfst.tɛi/
zelfstandig naamwoord
Origin
Nederlands
herfst + tijd — De tijd waarin de oogst plaatsvindt
Overview
Meaning Now
- De herfsttijd; het jaargetijde van de herfst.
- Figuurlijk: de najaarsfase van het leven of een bepaalde periode, vaak met een melancholische of bezinnende connotatie.
Literal older meaning
herfst-tijd
Language path
Oergermaans → Middelnederlands → Nederlands
Earliest form
herfsttijt
Earliest period
13e eeuw
Journey
Het woord 'herfsttij' is een samenstelling die in de literatuur vaak wordt gebruikt om een gevoel van vergankelijkheid of de 'herfst van het leven' op te roepen, vergelijkbaar met de beroemde historische studie 'Herfsttij der Middeleeuwen' van Johan Huizinga.
Evolution
- Oergermaans
*harbitas
“oogsttijd”
De oorsprong van 'herfst' hangt samen met het plukken of oogsten.
- Middelnederlands
herfsttijt
“het seizoen van de herfst”
- Modern Nederlands
herfsttij
“de herfstperiode, vaak poëtisch of archaïsch gebruikt”
Connections
Word parts
herfst
root
het seizoen herfst
tij
root
tijd of periode
Related across languages
Duits
Herbstzeit
herfsttijd
Engels
harvest-tide
oogsttijd
Related words
Explore next
Related to herfsttij
External references use DefinedTerm semantics.