Skip to main content
Etymology

natuurlijk

naːˈtyːr.lək

bijwoord; bijvoeglijk naamwoord

Origin

Latijn

nātūrālis — “natuurlijk, tot de natuur behorend”

Overview

Meaning Now

  • op een natuurlijke manier; spontaan, vanzelf
  • zeker, uiteraard, vanzelfsprekend
  • in overeenstemming met de natuur of zonder kunstmatigheid

Literal older meaning

“tot de natuur behorend” / “natuurlijk, volgens de natuur”

Language path

Nederlands → Middelnederlands → Latijn

Earliest form

natuerlijc / natuerlijke (verschillende middeleeuwse vormen)

Earliest period

Middelnederlands (13e–14e eeuw)

Journey

Het woord behoort tot een brede Europese woordfamilie rond Latijn nātūra ‘natuur’. In het Nederlands ontwikkelde natuurlijk naast de letterlijke betekenis ‘naar de natuur’ al vroeg ook een modale betekenis: ‘uiteraard, vanzelfsprekend’.

Evolution

  1. Latijn (klassiek en laat-Latijn)

    nātūrālis

    “natuurlijk, tot de natuur behorend”

    afgeleid van nātūra ‘natuur’

  2. Middelnederlands

    natuerlijc / natuerlijke

    “natuurlijk, eigen aan de aard van iets”

    ontleend via middeleeuwse geleerdentaal

  3. Nederlands

    natuurlijk

    “natuurlijk; vanzelfsprekend; niet kunstmatig”

    betekenis breidt uit naar het bijwoordelijke gebruik ‘uiteraard’

Connections

Word parts

natuur

stem

natuur

-lijk

suffix

bijvoeglijk: ‘behorrend tot, in de aard van’

Related across languages

  • Frans

    naturel

    natuurlijk

  • Engels

    natural

    natuurlijk

  • Duits

    natürlich

    natuurlijk, uiteraard

  • Spaans

    natural

    natuurlijk

Explore next

Related to natuurlijk

Get the WordOrigin app

External references use DefinedTerm semantics.