Skip to main content
Etymology

amplitude

ˈæm.plɪ.tjuːd

zelfstandig naamwoord

Origin

Latijn

amplitūdō — breedte, uitgestrektheid, volheid

Overview

Meaning Now

  • de mate of omvang van een trilling of golf, gemeten als de grootste afwijking van de evenwichtsstand
  • de uitgestrektheid, breedte of omvang van een verandering, beweging of variatie

Literal older meaning

'breedte, uitgestrektheid'

Language path

Latijn → Frans → Engels

Earliest form

amplitude

Earliest period

Middelfrans, ca. 14e–15e eeuw

Journey

Amplitude is een geleerd woord uit de klassieke traditie. In de natuurkunde werd het vooral belangrijk toen golven, trillingen en periodieke bewegingen systematisch beschreven werden; toen kreeg het woord een preciezere technische betekenis dan het algemene idee van 'omvang'.

Evolution

  1. Latijn (klassiek en laat), Oudheid

    amplitūdō

    “breedte, ruimte, volheid, aanzien”

    Afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord amplus.

  2. Middelfrans, middeleeuwen

    amplitude

    “uitgestrektheid, grootheid, omvang”

    Het woord komt via Frans in het Engels terecht als geleerd leenwoord.

  3. Engels, vroegmodern tot modern

    amplitude

    “omvang, en later vooral de grootte van een golf of trilling”

    De natuurkundige betekenis werd technisch gespecificeerd.

Connections

Word parts

ampl-

root

breed, ruim, groot

-itūdō

suffix

abstract zelfstandig naamwoord

Related across languages

  • Frans

    amplitude

    uitgestrektheid, omvang; technische betekenis in de wetenschap

  • Duits

    Amplitude

    amplitude, uitslag van een golf of trilling

  • Spaans

    amplitud

    breedte, ruimheid; in de wetenschap: amplitude

Explore next

Related to amplitude

Get the WordOrigin app

External references use DefinedTerm semantics.